Straßenpenner

Berlijn wordt overspoeld door bedelaars. Straßenpenner noemen ze die hier. Ze zijn overal: op straat, in de parken, in de metro’s, voor de banken.

Deze stad heeft namelijk niet alleen een geweldige aantrekkingskracht op filmmakers, toeristen en/of andere hipsters. Maar steden trekken ook mensen aan, die denken dat het hier wat makkelijker zal gaan, dat het leven hier iets zachter is.  Dat is het niet.  Berlijn is niet enkel een geweldige stad om in te wonen wegens de vele parken, de immense vrijheid, de geweldige energie en het prachtige licht maar het is ook zwaar gesubsidieerd en nog steeds zeer arm.  En economische groei zit er niet in. En dat in één van ‘s werelds rijkste landen.

Dat beseffen niet alle gelukzoekers. Een flink aantal onder hen hebben bovendien een zwaar alcoholprobleem en roken als een ketter. Wat uiteraard de situatie er niet makkelijker op maakt.

Soms verkopen ze een daklozenkrant. Daarvan zijn er hier zelfs twee. Een exemplaar kost anderhalve euro. Daarmee kunnen ze een slaapplaats krijgen in één van de opvangcentra hier in de stad. In de winter is dat een absolute must. Dan bieden parken en portalen echt geen alternatief meer.

Soms geef ik iets, soms niets. Soms krijgen ze mijn glimlach. Even vaak doe ik als de meeste mensen en kijk ik weg. Of doe ik alsof ik net een zeer belangrijk bericht heb gekregen op mijn telefoon. Bang van de confrontatie.

Laatst was ik in de bank om geld af te halen.

Geld uit de muur halen gebeurt in Duitsland vaak in een lokaal voor de bank. De Berliner Sparkasse in de Torstr. maakt hierop geen uizondering. Het is ook heel regelmatig dat je hier strassenpenners vind die hier liggen te pitten, vooral in de winter. Het stonk er die dag verschrikkelijk en ik moest even wachten tot er een automaat vrij was.

Ik had dus tijd om naar de persoon in de hoek te kijken. Ze (ik denk dat het een vrouw was, maar ben daar niet zeker van) lag te slapen, uitgedoofde sigaret nog tussen de vuile vingers. Haar leeftijd is erg moeilijk te schatten, maar ik gok op nog geen 40. Twee lege flessen wodka lagen naast haar. Een pak vieze en vuile kleren en dekens bedekt haar lichaam. Een paar euros liggen verspreid langs haar. Ongetwijfeld van mensen met meer mededogen dan ik.

Maar wat me de adem benam (en dan spreek ik niet over de stank die van de persoon uitging) was het boek dat voor haar lag.

La phénoménologie

La phénoménologie”. In het Frans. (zou ze Frans zijn of gewoon de taal machtig zijn ?).

Laat dat nu nét de filosofische richting zijn die me enorm aanspreekt.

Ik wou een foto maken, maar voelde te veel schroom. Ik was ook totaal verward. Is dit een slechte grap? Verborgen camera? Of heeft iemand dat boek daar voor haar neergelegd? En waarom zou die dat dan doen?

En waarom zou een dakloze geen filosofie lezen?? Wat is haar verhaal? Hoe is ze hier terecht gekomen?

ryan-arcand

Foto: (Rick Bremness/CBC)

(klik op de foto voor het verhaal van deze muzikale Amerikaanse bedelaar)

De werkelijkheid is rauw: dit is geen grap. Dat ik geld uit de muur moest halen, was ik alweer vergeten. Ik ging naar de bank om een slag in mijn gezicht te krijgen. Het leven kan verdomd gemeen uit de hoek komen en er is niet zo heel erg veel nodig om op straat te belanden. Want iedereen, zonder uitzondering, kan hier, in het portaal van de Berliner Sparkasse belanden, en zijn pijn proberen te verzachten met wodka en de wereld te begrijpen door het lezen van filosofie. Dat het hier nu net om de fenomenologie gaat, maakt het plaatje alleen nog schrijnender. Fenomenologie is een benadering in de filosofie die als doel heeft het bestuderen en beschrijven van de werkelijkheid zoals ze verschijnt in de concrete ervaring. Alles is perceptie. De twintigste eeuwse filosofen en fenomenologen Heidegger en Merleau Ponty beschreven de wereld zoals de fenomenen zich aan hen voordeden. Niet de fysika is hun werkelijkheid maar de geleefde werkelijkheid: de wereld zoals we die beleven. Voor Martin Heidegger is de dood de fundamentele horizon van ons bestaan. Ons leven krijgt pas zin omdat de dood altijd volgt. Dat we zullen sterven, weten we zeker: hij spreekt over de Gewissheit van de dood. Hij beschreef ons bestaan als een ‘ten-dode-zijn’ (Sein-zum-Tode).

 Jean –Paul Sartre vond dat weer klinkklare onzin: het leven zelf geeft zin aan het leven. De dood ontneemt dat nu juist. Want na de dood houdt het leven op.

Ze hebben allebei gelijk.

Een paar dagen na mijn bezoek is de Torstr. afgesloten van alle verkeer. Er is namelijk een dode gevallen in de Berliner Sparkasse. Eerst werd er niet uitgesloten dat het om moord ging. Maar uiteindelijk bleek het om een natuurlijke dood te gaan. De wodka zal zijn verwoestend werk hebben gedaan. ‘Mijn’ fenomenologische Straßenpenner is niet meer.

Ze zal niet in vrede rusten, dat doet niemand. Want na de dood is er niks meer. Maar aan haar lijden is gelukkig een einde gekomen. Moge de overgang van de roes naar het absolute niets zacht geweest zijn.

Advertenties